Mattheus 11:28-30

Kom naar Mij toe, allen die vermoeid en belast bent, en Ik zal u rust geven. Neem Mijn juk op u, en leer van Mijdat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en u zult rust vinden voor uw ziel; want Mijn juk is zacht en Mijn last is licht.

Mattheus 28:1-7

 

 

Laat na de sabbat, toen het licht begon te worden op de eerste dag van de week, kwamen Maria Magdalena en de andere Maria om naar het graf te kijken. En zie, er vond een grote aardbeving plaats, want een engel van de Here, die uit de hemel neerdaalde, ging erheen, rolde de steen van de opening weg en ging erop zitten. Zijn gedaante was als een bliksem en zijn kleding wit als sneeuw. De bewakers beefden van angst voor hem en werden als doden. Maar de engel antwoordde en zei tegen de vrouwen:U hoeft niet bevreesd te zijn want ik weet dat u Jezus zoekt, Die gekruisigd was. Hij is hier niet, want Hij is opgewekt, zoals Hij gezegd heeft. Kom zie de plaats waar de Here gelegen heeft. En ga haastig heen en zeg tegen Zijn discipelen dat Hij opgewekt is uit de doden; en zie, Hij gaat u voor naar Galilea; daar zult u Hem zien. Zie ik heb het u gezegd.

Lucas 2:7


En zij (Maria) baarde haar eerstgeboren Zoon, wikkelde Hem in doeken en legde Hem in de kribbe, omdat er voor hen geen plaats was in de herberg. Lukas 2:7

Lukas 2:7 zegt: “en zij baarde haar eerstgeboren Zoon, wikkelde Hem in doeken en legde Hem in de kribbe, omdat er voor hen geen plaats was in de herberg.” Het Griekse woord dat Lukas gebruikt voor ‘kribbe’ is phatne en betekent letterlijk ‘voerbak’ of ‘trog’.[1] Over het algemeen wordt dat woord gebruikt om de voerbak van dieren mee aan te duiden. De meeste huizen in Bethlehem in de eerste eeuw hadden een kribbe. De huizen hadden namelijk meestal een algemene kamer waar het gezin sliep en daarachter een ruimte waar men eten en dieren bewaarde.[2] Soms was deze ruimte een grot. De dieren werden ’s nachts naar die ruimte gebracht om ze te beschermen tegen dieven en de weersomstandigheden.[3] Het is dan ook logisch dat er in deze ruimtes ook voederbakken stonden voor de dieren. Logischerwijs waren deze voederbakken niet zo schoon als de borden die wij gebruiken om van te eten. Ze waren immers alleen maar voor de dieren.

Heb je je ooit afgevraagd waarom Jezus er voor koos om op zo’n nederige plek geboren te worden? Tegenwoordig gebruiken we de meest geavanceerde technologieën om de geboortes van onze kinderen zo goed mogelijk te laten verlopen. Ziekenhuisbedden (of bedden thuis natuurlijk) zijn zacht, hygiënisch en comfortabel. Hoewel zulke plekken natuurlijk niet bestonden in de eerste eeuw, had Jezus toch een veel minder nederige plek kunnen kiezen om geboren te worden. Zo was het paleis van Herodes zo dicht bij Bethlehem dat het zelfs zichtbaar was vanuit het dorp. Bovendien lag dat maar 8 kilometer buiten Jeruzalem. Waarom zou de Schepper van het universum onder zulke slechte omstandigheden geboren willen worden als Hij ook in een mooi paleis geboren had kunnen worden?[4]

Jesaja 53 geeft ons een hint. Dit hoofdstuk schrijft namelijk over de Messias als een lijdende knecht. Een nederig begin, zoals geboren worden in een stal, past bij het lijden dat Hij later zou ondergaan. Filippenzen 2:6-8 legt het nog iets duidelijker uit: “Hij [Jezus] die de gestalte van God had, hield zijn gelijkheid aan God niet vast, maar deed er afstand van. Hij nam de gestalte aan van een slaaf en werd gelijk aan een mens. En als mens verschenen, heeft hij zich vernederd en werd gehoorzaam tot in de dood – de dood aan het kruis.” Jezus koos er voor om geboren te worden onder nederige en armoedige omstandigheden, omdat Hij was gekomen om te dienen. Hij vernederde zichzelf voor ons! Hij was bereid om geboren te worden in een stal en te sterven als een misdadiger, omdat Hij met heel Zijn hart van ons houdt!

 

[1] Bible Study Tools Online, “Pathne – New Testament Greek Lexicon – New America Standard,” http://www.biblestudytools.com/lexicons.

[2] Associates for Biblical Research, “The Manger and the Inn,” http://www.biblearchaeology.org/post/2008/11/08/The-Manger-and-the-Inn.aspx.

[3] Answers in Genesis – Creation, Evolution, Christian Apologetics, “Was Jesus Born in a House?” http://www.answersingenesis.org/articles/2009/12/22/was-jesus-born-in-a-house.

[4] Ibid.

Onze onbeantwoorde vragen

'Reeds', 'Nog niet' spanning

[Jezus] heeft … zich vernederd en werd gehoorzaam tot in de dood – de dood aan het kruis.

(Filippenzen 2:8)

Een jaar of 5 geleden reed ik samen met een collega terug naar huis na een lange werkdag (als sloper). Ik had net mijn middelbare school examens achter de rug en had een paar maanden de tijd voordat ik zou beginnen aan mijn studie in Leuven. Ik werkte in die periode vrij lang samen met dezelfde collega en zo af en toe stelde hij een vraag over waarom ik theologie ging studeren, waarom ik naar de kerk ging, etc. Dit keer waren de rollen echter omgedraaid en vroeg ik hem waarom hij niet geloofde dat God bestaat. Jong en naïef als ik was, stond ik met een mond vol tanden toen hij die vraag beantwoordde. Hij zei namelijk dat hij niet kon geloven in een liefdevolle God die het toestond dat zijn kleine nichtje van 4 of 5 jaar oud overleed aan kanker, en dat was wel gebeurd…

Ik had verwacht dat hij met één of ander intellectueel vraagstuk zou komen, bijvoorbeeld dat de Bijbel niet klopt omdat de huidige biodiversiteit op aarde ontstaan is door het evolutionair proces, of iets dergelijks. Sterker nog, ik keek al uit naar een dergelijk antwoord van zijn kant, omdat ik wist dat ik een intellectuele discussie over het al dan niet bestaan van God en/of de betrouwbaarheid van de Bijbel zeker zou winnen. Zijn reactie had ik dan ook niet aan zien komen en zijn eerlijke, persoonlijke en emotionele antwoord raakte en ontwapende me. Ik wist niet meer wat ik moest zeggen. Ik voelde dat het niet gepast was om met een intellectuele uiteenzetting te komen over het probleem van het kwaad en het lijden in de wereld. En dus beaamde ik slechts hoe erg het was dat zijn nichtje overleden was.

En als we heel eerlijk zijn confronteert de realiteit van onze gebroken wereld ons wel vaker met onbeantwoordbare vragen. Soms gebeuren er dingen waar we simpelweg geen definitief antwoord op kúnnen geven, ik denk bijvoorbeeld aan het overlijden van Janny. Hoewel inmiddels vrij algemeen bekend is dat het probleem van het kwaad geen steekhoudend rationeel argument tegen het bestaan van God is,[1] blijven concrete situaties van pijn, ziekte en overlijden in onze kring van naasten altijd aan ons gevoel knagen. Waar we met ons verstand misschien nog in staat zijn om het bestaan van een liefdevolle God te rijmen met de aanwezigheid van het kwaad in de wereld (denk aan de zondeval, menselijke vrije wil, etc.), is ons gevoel vaak een stuk moeilijker te overtuigen.

Aan de ene kant weten we dat Jezus de overwinning al voor ons behaald heeft aan het kruis op Golgotha, dat de dood geen vat meer op ons heeft en dat Satan geen recht meer op ons, op ons leven en op onze gezondheid heeft. Aan de andere kant zien we in de praktijk dat Satan nog steeds tekeer gaat als een briesende leeuw, mensen om ons heen veel te jong overlijden en ook in de gemeente van God meer mensen ziek zijn dan ons lief is. Dat is wat theologen de spanning tussen het ‘reeds’ en ‘nog niet’ noemen. Het Koninkrijk van God is ‘reeds’ op aarde, maar ‘nog niet’ ten volle realiteit geworden. De overwinning is ‘reeds’ behaald en zeker, maar ‘nog niet’ altijd volledig zichtbaar in de praktijk van ons leven. We weten dat we in Christus ‘reeds’ meer dan overwinnaars zijn, maar we voelen ons vaak (of in ieder geval soms) ‘nog niet’ bepaald overwinnaars.

Hoewel een intellectuele weerlegging van het probleem van het kwaad een beetje kan helpen om het lijden waar wij en onze dierbaren mee geconfronteerd worden dragelijk te maken, is er meer dan alleen dat nodig om de realiteit van het lijden te rijmen met ons gevoel. Wat mij persoonlijk daarin enorm heeft geholpen is in feite de essentie van het christendom. Het feit dat God zo diep geraakt is door ons lijden dat Hij bereid was zijn Zoon op één van de meest gruwelijke manieren te laten lijden, martelen, bespugen en sterven. Met het lijden van Jezus heeft God onomstotelijk bewezen dat Hij om ons geeft en dat ons lijden hem niet koud laat. Meer dan dat was Jezus bereid om zich met ons te vereenzelvigen, om zelf mens te worden en dezelfde pijn te lijden.

Waar wij soms vol vragen zijn over het lijden waar we zelf níet voor hebben gekozen, is het lijden waar Jezus wél voor gekozen heeft misschien nog wel het meest onbegrijpelijk. Als we stilstaan bij de menswording en het lijden van Jezus kunnen we in ieder geval zeker weten dat God het lijden niet heeft gewild en dat Hij er in ieder geval niet voor gekozen heeft. Hoeveel vragen we dan ook kunnen hebben over datgene wat ons overkomt, we mogen weten dat God ons lijden kent, dat Hij geraakt wordt door ons lijden, dat Hij zijn eigen Zoon heeft gegeven om het kwaad in de wereld te verslaan én dat onze overwinning over pijn, lijden en dood al zeker is.

Bovendien hebben we een God die zo machtig is, dat Hij zelfs in staat is om het kwaad in deze wereld ten goede mee te laten werken voor hen die Hem vrezen. Ook de slechte dingen die we meemaken kan God dus gebruiken om te bouwen aan zijn Koninkrijk hier op aarde. Daarmee worden die dingen natuurlijk niet ‘goed’, maar het kan wel een troost zijn om te weten dat God ook door die dingen heen kan werken. Zijn wegen zijn soms immers ondoorgrondelijk.

Helaas moeten we dus concluderen dat er nog een spanning is tussen het ‘reeds’ en het ‘nog niet’, maar die spanning is – Goddank – tijdelijk. We weten dat de overwinning al veiliggesteld is, dat we in Christus meer dan overwinnaars zijn en ons daarom nu al mogen (en misschien zelfs moeten) uitstrekken naar overwinningen op pijn, lijden en ziekte, waar we dat ook maar tegenkomen. Dat is onze roeping, dat is onze opdracht, dat is ons voorrecht.

 

[1] Het gaat helaas te ver om dat in deze tekst van de week uit leggen. Mocht je hier meer over willen weten kan je me altijd even aanspreken, mailen of bellen. Zie ook http://www.reasonablefaith.org/the-problem-of-evil (Engels).

Tedere liefde, geknakt riet en recht & gerechtigheid

Geknakt riet

Het geknakte riet zal Hij niet verbreken, de uitdovende vlaspit zal Hij niet uitblussen. (Jesaja 42:3)

Dit vers uit Jesaja 42 staat naar mijn mening in één van de mooiste Messiaanse passages uit het hele Oude Testament. Aan het begin van Jesaja 42 wordt namelijk beschreven wat de ‘Knecht van de Heer’, zoals Jezus daar genoemd wordt, op aarde komt doen. In vers 1 zegt God: “Ik heb Mijn Geest op Hem [Jezus] gelegd. Hij zal tot de heidenvolken het recht doen uitgaan.” Deze passage benadrukt dus dat Jezus komt om het “recht te doen uitgaan.” Of met de woorden van de NBG ’51-vertaling: “de volken het recht te openbaren.” De hele passage draait om het recht en de gerechtigheid die de Knecht van de Heer (Jezus dus) brengt!

Juist in een wereld als de onze waar rechtvaardigheid soms zo ver te zoeken is, vind ik deze passage een enorme bemoediging. In situaties die zo oneerlijk zijn dat we ze niet uit kunnen staan, mogen we weten dat God het laatste woord heeft. Ook al lijkt het soms dat het onrecht in de wereld blijft bestaan of zelfs toeneemt, Jezus zal recht en gerechtigheid brengen! Niets ontsnapt aan zijn aandacht en ook de ‘heidenvolken’ zullen op een dag geconfronteerd worden met het hemelse recht dat Jezus brengt.

Het mooie is dat Jezus dat niet met geweld, geschreeuw en machtsvertoon doet (zie vers 2). Dat heeft Hij niet nodig. Hij brengt recht en gerechtigheid, Hij oordeelt, maar op een tedere, liefdevolle manier. Of zoals Jesaja het formuleer: “Hij verbreekt het geknakte riet niet en hij dooft de smeulende vlaspit niet uit.” Dat klinkt misschien heel vaag, maar het is eigenlijk heel duidelijk (en mooi!).

Riet knakt alleen als er van buitenaf druk op dat riet wordt gezet, het knakt niet vanzelf. Een smeulende vlaspit is een ander verhaal. Daar is geen druk van buitenaf bij in het spel. Een smeulende vlaspit is eigenlijk gewoon een vlammetje dat alleen nog maar wat smeult, omdat het nou eenmaal opgebrand is. Het riet en de vlaspit staan natuurlijk symbool voor mensen: (1) mensen die bezweken zijn onder druk van buitenaf (door wat andere mensen hen hebben aangedaan, schulden die ze hebben, dingen die ze mee hebben gemaakt, etc.) en (2) mensen die simpelweg opgebrand zijn (door een te hoge werklast, te veel ruzies thuis, te veel zorgen, te veel slapeloze nachten, etc.).

Wat mij zo raakt in deze tekst in Jesaja 42 is dat Jezus weldegelijk recht en gerechtigheid brengt, Hij laat geen onrecht bestaan of onbesproken, maar daarbij houdt Hij de mensen die gebroken zijn liefdevol in zijn armen. Of je nou bezweken bent (of bijna bezwijkt) onder druk van buitenaf, of dat je gewoon he-le-maal opgebrand bent, Jezus zal je niet verbreken en niet uitdoven. Hij zal je vasthouden, oprichten, nieuwe kracht geven, herstellen en liefhebben. Als je al het onrecht om je heen ziet en de hoop verloren bent dat het ooit nog recht gezet gaat worden, sta dan eens stil bij de hoop die Jezus geeft. Hij zal recht en gerechtigheid brengen, dat is zeker. Maak je geen zorgen, Hij heeft het laatste woord. En Hij is er voor je. Je mag bij Hem schuilen, huilen, uitrusten en herstellen waar nodig.

Het geknakte riet zal Hij niet verbreken, de uitdovende vlaspit zal Hij niet uitblussen.

Onze eerste liefde

Onze eerste liefde

Maar Ik heb tegen u dat u uw eerste liefde hebt verlaten. (Openbaring 2:4)

 “Maar Ik heb tegen u dat u uw eerste liefde hebt verlaten,” dat is wat Johannes de Heer hoort zeggen tegen de gemeente van Efeze. Wat was het probleem dan? Wat hadden de christenen in Efeze verkeerd gedaan? Eigenlijk leek er op het eerste gezicht niet zoveel mis te zijn met deze gemeente. De Efeziërs deden nog allerlei ‘goede’ dingen, ze waren volhardend, ze verzetten zich tegen valse leraren en ze verdroegen zelfs allerlei moeilijkheden om zich in te kunnen blijven zetten voor de Naam van de Heer. Welke fout hadden de Efeziërs dan gemaakt?

Ondanks alle dingen die ze wel deden en ondanks alle moeilijkheden die ze bereid waren te doorstaan, hadden ze toch hun eerste liefde verzaakt. Wat is die eerste liefde dan, die de Heer hier bedoeld? Gelukkig wordt dat in ieder geval voor een deel duidelijk uit het volgende vers. In Openbaring 2:5 staat namelijk: “bedenk dan van welke hoogte u bent gevallen en bekeer u en doe de eerste werken.” Het gaat er dus kennelijk niet om hoeveel we doen of om hoeveel beproevingen we kunnen doorstaan, maar om wát we doen.

Op één of andere manier waren de Efeziërs niet minder gaan doen, maar waren ze wel andere dingen gaan doen dan de dingen waar God hen voor had geroepen. Ze hadden de eerste liefde verzaakt en dat werd hen zwaar aangerekend (lees de rest van Openbaring 2:5 maar eens). Het is dan ook belangrijk dat wij net zoveel waarde hechten aan deze eerste liefde als de Heer!

Ik las net een artikel over deze Bijbelpassage waar in stond: “bedenk dat leven voor Jezus niet afhangt van de dingen die wij voor Hem doen. Het gaat om de dingen die Hij in en door ons wil doen. Dat was nu juist de fout waarin de gemeente van Efeze viel: ze gingen de dingen doen vanuit eigen inspanning, ze gingen werken doen zonder liefde.”[1] En dat is uiteraard waar. Onze ‘goede’ daden zijn zonder eeuwigheidswaarde als we ze niet doen vanuit die eerste liefde. Aan de andere kant blijkt uit deze verzen in Openbaring 2 wel heel duidelijk dat de Heer weldegelijk van ons verwacht dat onze eerste liefde ook blijkt uit onze daden. We kunnen nooit trouw blijven aan onze eerste liefde, zonder dat ook te uiten in onze daden.

Laten we elkaar dan ook voortdurend blijven aanscherpen en aansporen om trouw te blijven aan onze eerste liefde! Ons Evangelisch Centrum is gebouwd op twee fundamentele kenmerken: (1) gebed staat centraal en (2) we willen iets doen aan de nood die er is in de wereld om ons heen. Als die twee fundamentele kenmerken onze eerste liefde zijn, hoe staat het er dan voor met onze eerste liefde? Die vraag geldt voor ons persoonlijk en voor ons als gemeente…

 

[1] Ite Wolters “De eerste liefde,” bekeken op 01-06-2016, http://www.kruislinks.nl/overdenking/?part=archiefoverdenking&id=228.

Een God van overvloed

Abundance

“Iedereen at en werd verzadigd, en toen ze de stukken brood die over waren ophaalden, hadden ze twaalf manden vol.” (Mattheüs 14:20)

Onze God is een God van overvloed. Toen Jezus 5000 mensen te eten moest geven en Hij slechts vijf broden en twee vissen had, gaf Hij niet iedereen een klein stukje brood en een hapje vis. Nee, Hij dankte God en gaf al die 5000 mensen meer dan ze op konden. Zelfs nadat iedereen zich vol had gegeten waren er nog twaalf manden vol met brood over! Je hoort mensen wel eens zeggen: “geld maakt niet gelukkig.” En dat is waar, maar dat heeft het met armoede gemeen… Als je je geluk van geld, voorspoed en overvloed af laat hangen, of als je je leven in dienst stelt van zoveel mogelijk geld en voorspoed verkrijgen voor jezelf, leef je een leven dat nauwelijks het leven waard is. Aan de andere kant is voorspoed, in de breedste zin van het woord, een zegen van God. God wil ons overvloedig zegenen, in elk aspect van ons leven.

Alleen leert de realiteit van het leven helaas dat we vaak te weinig hebben, in plaats van overvloedig. Te weinig geld om de rekeningen te betalen, te weinig ervaring om een baan te krijgen, te weinig geduld om te wachten, te weinig leiderschapskwaliteiten om het bedrijf, de organisatie of de kerk te leiden zoals we willen, te weinig wijsheid om de juiste keuze te maken, of te weinig geloof om door te gaan. De cijfers aan het einde van onze balans maken pijnlijk duidelijk dat we een tekort hebben, in plaats van overvloed. Hoop, geloof en vertrouwen kunnen op zo’n moment maar al te snel vervagen en verworden tot wanhoop, ongeloof en twijfel. En er zijn maar heel weinig mensen die nooit in zo’n situatie hebben gezeten. Zelfs Jezus heeft schrijnende tekorten meegemaakt. Jezus heeft gevallen meegemaakt, die zelfs voor Hem hopeloos leken te zijn…

Hoe moest Hij ooit zorgen voor nieuwe wijn voor alle bruiloftsgasten, hoe moest Hij ooit zorgen voor nieuw leven in een lichaam dat al drie dagen dood was, hoe moest Hij ooit 5000 mensen te eten geven van vijf broden en twee vissen? Jezus heeft zelf maar al te vaak meegemaakt dat de cijfers onderaan de balans pijnlijk duidelijk maakten dat Hij een schrijnend tekort had. Maar wat deed Jezus? Hij veranderde water in de lekkerste wijn van de hele bruiloft, Hij maakte Lazarus springlevend en Hij gaf de mensen meer brood dan ze met 5000 man op konden. God is een God van overvloed. Keer op keer veranderde Hij een tekort in overvloed.

En de discipelen hadden hun lesje inmiddels wel geleerd. Toen zij 5000 hongerige mensen voor zich zagen staan, wisten ze wat hen te doen stond. Toen Jezus zei “breng Mij die broden en vissen,” deden ze dat gelijk. En dat was genoeg. Zij hadden daarmee hun deel gedaan, Jezus deed de rest. Hebben wij datzelfde vertrouwen als de discipelen? Geloven wij ook, net als de apostelen, dat God oneindig veel meer kan doen dan wij kunnen bidden of beseffen (zoals Paulus zo treffend schrijft in Efeze 3:20)? Ik wel.

Dit is geen mooi verhaaltje om weer een tekst van de week vol te kunnen schrijven, maar een realiteit die ik in mijn eigen leven keer op keer heb ervaren. Ik zal nooit vergeten dat we als gezin binnen zes weken ons huis uit moesten en feitelijk van de ene op de andere dag geen salaris meer hadden. We hadden er voor gekozen om Gods plan en zijn wil te volgen en waren bereid de prijs te betalen. En tegelijkertijd brachten we datgene wat we hadden, ons tekort, naar God. We legden het in zijn hand en vertrouwden er op dat als we Hem volgden, dat Hij zou voorzien.

En hoewel die keuze ons misschien financiële zekerheid, mooie vakanties en nieuwe kleren heeft gekost, heeft het mij een onbetaalbare levensles geleerd. God is te vertrouwen en hoe groot ons tekort ook is, Hij kan en zal ons alles geven wat we nodig hebben, in overvloed – in elk aspect van ons leven. Als we Hem volgen en geen water bij de wijn doen, zal Hij zijn trouw aan ons betonen.

Onze God is een God van overvloed en Hij is te vertrouwen.

Ik zou bijna zeggen: “amen.”

Het wonder van Pinksteren!

Dove

Dan zal de heilige Geest u geschonken worden, want voor u geldt deze belofte, evenals voor uw kinderen.

(Handelingen 2:38-39)

Pinksteren is misschien wel het grootste christelijke feest dat er is, groter nog dan Kerst en Pasen. Zo zei een wijs man[1] ooit: “er is een wereld van verschil tussen de wereld voor Pinksteren en de wereld na Pinksteren!” Maar waarom eigenlijk? Natuurlijk gedenken en vieren we met Pinksteren dat de Heilige Geest is uitgestort op de discipelen van Jezus, maar wat maakt dat moment nou zo bijzonder?

Nou, eigenlijk is met de uitstorting van de Heilige Geest op Jezus’ discipelen de kerk geboren! Zonder dat de Heilige Geest op hen was uitgestort, waren de discipelen er nog niet klaar voor om de wereld in te trekken en het evangelie te verkondigen. Zonder de uitstorting van de Heilige Geest was de kerk ten dode opgeschreven geweest, nog voordat ze geboren was. Zelfs Jezus begon zijn bediening hier op aarde immers pas nadat de Heilige Geest, bij Zijn doop in de Jordaan door Johannes de Doper, op Hem was neergedaald.

Maar met Pinksteren gebeurde het wonder dat de loop van de geschiedenis van de mensheid blijvend heeft veranderd; het wonder dat God zelf, de Schepper van hemel en aarde met zijn Geest ín de harten van de discipelen kwam. En op dat moment, waarop zij vervuld werden van de heilige Geest, begonnen ze luid en duidelijk te spreken in allerlei vreemde talen (Handelingen 2:4).

Waar deze wonderlijke uiting van de vervulling met de Heilige Geest uiteindelijk allemaal toe geleid heeft is bekend. Maar liefst drieduizend mensen bekeerden zich nog diezelfde dag en zo werd de kerk inderdaad geboren. Vol van Gods Geest waren de discipelen in staat om talen te spreken die ze zelf helemaal niet kenden, zieken te genezen in de naam van Jezus, levens veranderende profetieën uit te spreken, demonen uit te drijven en op elke plaats waar zij kwamen het evangelie te verkondigen, met gevaar voor eigen leven én in minimaal elf van de twaalf gevallen tot de dood.

Er is één aspect van dat bijzondere gebeuren waar we even bij stil moeten staan. De discipelen werden namelijk niet zomaar uit het niets vervuld met de Heilige Geest. Het was niet zo dat ze allemaal hun eigen ding aan het doen waren, hun leven van alledag aan het leven waren en ze totaal onverwachts werden overvallen door wat er gebeurde. In Handelingen 2:1 lezen we namelijk: “en toen de dag van het Pinksterfeest vervuld werd, waren zij allen eensgezind bijeen.” De discipelen waren allemaal eensgezind bijeen! De discipelen keken vol verwachting uit naar wat God in hun levens zou gaan doen. Zij hadden de belofte dat Jezus de Trooster zou sturen zo serieus genomen, dat ze bereid waren om alles aan de kant te zetten en met elkaar naar dat moment uit te zien. Dat is kennelijk belangrijk, anders had Lucas het hier niet genoemd!

Het zou dus zomaar kunnen zijn dat als wij meer van Gods Geest in ons eigen leven, in ons eigen hart en in onze eigen gemeente willen, dat we ons met eenzelfde verlangen, verwachting, gehoorzaamheid en éénheid naar de vervulling met de Heilige Geest uit moeten strekken als de discipelen deden!

 

[1] Tom van Hoogstraten.

Soms zegt een stilte meer dan 1000 woorden

Without words

O God, zwijg niet, houd U niet doof, wees niet stil, o God!” (Psalm 83:1)

Op 7 augustus 1961 werd de 25-jarige majoor Gherman Titov de tweede Russische kosmonaut die om de aarde heen vloog. Hij is de eerste mens geweest die meerdere keren achter elkaar om de aarde heen is gevlogen, de eerste mens die in de ruimte heeft geslapen én de eerste mens die in de ruimte heeft overgegeven…[1] Al met al was zijn ruimtevlucht van grote betekenis voor de ruimtevaart. Enkele jaren na zijn ruimtevlucht sprak Titov op een persconferentie van de World’s Fair over deze unieke belevenis. Ietwat triomfantelijk deelde hij aan de aanwezigen mee dat hij tijdens zijn reis om de aarde God in geen velden of wegen had gezien.[2] Vier dagen later reageerde de Amerikaanse astronaut John Glenn: “The God I pray to is not small enough that I expected to see Him in outer space.”[3] Met andere woorden: ik geloof niet in een God die zo klein is dat ik Hem verwacht te zien in de ruimte.

Wat is het verschil tussen Titov en Glenn? Geen van beide heeft God gezien in de ruimte, maar hun conclusies waren toch heel verschillend. Het is belangrijk om ons bewust te zijn van het feit dat God zich niet altijd laat zien of horen op de momenten en de manier waarop wij dat verwachten, willen of hopen. Kennelijk had Gherman Titov bijvoorbeeld verwacht dat als God bestond, dat Hij zichtbaar was voor mensen die zich in de ruimte bevinden. Toen dat niet het geval bleek te zijn, concludeerde hij op basis daarvan dat God dus niet bestaat. Maar wat Titov zich niet bewust was, is dat hij God op de verkeerde plek zocht. Net zoals veel Joden hun Messias niet zochten bij de hoeren, tollenaars en melaatsen en Hem daarom niet vonden, was ook Titov door zijn verkeerde verwachtingen niet in staat om God te zien.

Ik denk dat iedereen op een bepaald moment in zijn leven de ervaring heeft dat God onzichtbaar, ontastbaar en onhoorbaar is. Ik denk dat iedereen op bepaalde momenten in zijn leven, net als Asaf in Psalm 83:1, het uitroept tot God of Hij wil spreken, of zich wil laten zien. Op zulke momenten, als je Gods stem niet (meer) verstaat of Hij mijlen ver bij je vandaan lijkt te zijn, weet dan dat Zijn zwijgen niet voor altijd is. God is en Hij spreekt. De vraag is vaak of wij ook luisteren.

Dan Rather, een Amerikaanse journalist, vroeg ooit aan Moeder Theresa wat zij zei als ze aan het bidden was. Weet je wat ze zei? “Ik luister.” Enigszins verbaasd reageerde Rather: “oke, wat zegt God dan als je bidt?” Waarop Moeder Theresa glimlachte en zei: “Hij luistert.” Het kan zomaar zijn dat je God niet ziet, omdat je op de verkeerde plek zoekt. Het kan zomaar zijn dat je God niet hoort, omdat je niet luistert naar zijn stem. En het kan zomaar zijn dat God juist tot je spreekt in de stilte.

God laat zich niet beperken door onze verwachtingen. Verwachten wij Hem te vinden in de ruimte, op de wolken, in de tempel of in een paleis? Hij laat zich vinden in onze harten, bij een waterput, bij de moordenaars, dieven en prostituees. God kan zichzelf aan ons openbaren op talloze manieren. Aan Abraham in een droom, aan Jakob als een engel, aan Israël als een vuurkolom en een wolk, aan Samuël met een stem, aan Mozes op een berg, aan Gideon met een schapenvel, aan Paulus in een visioen en aan Elia in de stilte. Laten we een voorbeeld nemen aan Moeder Teresa en wat meer stil zijn voor God. Laten we de tijd nemen om te luisteren hoe God tot ons wil spreken. Laten we stil zijn, zodat we zijn stem zullen horen. Want één ding is zeker: God is en Hij spreekt.

 

[1] https://en.wikipedia.org/wiki/Gherman_Titov

[2] Seattle Daily Times, May 7, 1962, 2.

[3] http://www.seattlemet.com/articles/2012/1/20/seattle-worlds-fair-timeline-february-2012

Het verschil tussen een wettisch gebod en bijbelse richtlijn

Money

Iemand die weinig zaait, zal ook weinig oogsten. Iemand die veel zaait, zal ook veel oogsten. (2 Korinthe 9:6)

 Een aantal weken geleden schreef ik in de tekst van de week over het geven van ons geld aan God dat ‘tienden’ een Bijbels concept is. Met andere woorden, dat het ‘Bijbels’ is om 10% van ons inkomen aan God te geven. Hoe dat er concreet uitziet (aan de gemeente, aan christelijke organisaties of andere goede doelen) is een discussie op zich, maar laten we er van uitgaan dat die 10% aan de gemeente wordt gegeven. Veel christenen zullen zeggen dat tienden geven niet zozeer een bijbels, maar eerder een ‘wettisch’ concept is. Zo las ik de opmerking: “De tienden geven was iets dat ingesteld was onder de wet van Mozes en was dus voor de Israëlieten.”[1]

Aangezien geld een belangrijke rol speelt in onze maatschappij, belangrijk was voor Jezus én er kennelijk veel onduidelijkheid bestaat over het concept van tienden geven, is het de moeite waard om daar eens extra bij stil te staan.

Het feit dat de Israëlieten geacht werden 10% van hun ‘inkomen’ te offeren aan God, door het naar de tempel te brengen is een onbetwist feit. Maar veel mensen denken dat het geven van tienden als een nieuw fenomeen door God aan Mozes gegeven werd als opdracht voor het volk Israël. Op basis van dat misverstand kan je dan ook wel eens horen of lezen dat tienden geven een ‘wettisch’ concept is.

Als we Genesis 14 lezen, blijkt echter dat Abraham honderden jaren voor de openbaring van de Oud Testamentische wet aan Mozes al tienden bracht. Ook Jacob (die later Israël genoemd werd) belooft in Genesis 18, nog steeds honderden jaren voor de openbaring van de wet, aan God dat hij Hem 10% zal geven van alles wat hij ontvangt.  Wat opvallend is in Genesis 14, is dat Abraham zijn tienden niet zomaar aan iemand geeft. Hij geeft zijn tienden namelijk aan een priester genaamd Melchisedek (zie Genesis 14:20), een gegeven dat niet voor niets genoemd wordt in Hebreeën 7. Zoals je wellicht weet wordt Jezus in datzelfde hoofdstuk betiteld als onze Hogepriester naar de orde van … Melchisedek. Daarnaast is het ook nog eens zo dat Paulus Abraham onze ‘vader in het geloof’ noemt. Al met al is het dus een stuk relevanter dan je misschien aanvankelijk dacht, dat Abraham zijn tienden, honderden jaren voor de openbaring van de wet, al gaf aan uitgerekend Melchisedek.

Het moge duidelijk zijn dat het wegzetten van het geven van tienden als iets ‘wettisch’ geen recht doet aan de werkelijkheid. Maar betekent dat dan dat wij als 21e-eeuwse christenen ook tienden moeten geven? Nergens in het Nieuwe Testament wordt dat gezegd. Jezus noch Paulus zegt ook maar 1x dat dat een verplichting is voor ons. Aan de andere kant concludeerden we gisteravond met de jongeren, toen we het over dit onderwerp hadden, dat 10% van ons inkomen wel een goede, bijbelse richtlijn is voor de hoeveelheid geld die we aan God geven. Zeker, omdat we als christenen weldegelijk de opdracht hebben om te geven naar vermogen (lees bijvoorbeeld 1 Korinthe 16:2). In 2 Korinthe 8:7-8 roept Paulus de christenen in Korinthe zelfs op om méér te geven dan 10% van hun inkomen.

Al met al kunnen we dus concluderen dat het geven van tienden zeker een bijbels concept is en dat het bepaald geen ‘wettische’ regel is. Het geven van tienden is voor ons, als nieuwtestamentische christenen, dan ook geen verplichting, maar het is wel een goede richtlijn voor het ‘geven naar vermogen’, dat weldegelijk een bijbelse opdracht is voor elke christen!

Als je met God overlegt hoeveel je aan Hem mag geven bedenk dan naast deze richtlijn dat Paulus niet voor niets in 2 Korinthe 9:6 schrijft: “Iemand die weinig zaait, zal ook weinig oogsten. Iemand die veel zaait, zal ook veel oogsten.”

 

[1] http://www.rejoicenow.nl/page/tiende-betalen-verplicht-of-dwaalleer